donderdag 31 maart 2016

PAASSTUKJE


Pappi is down en momenteel niet van zijn kamer te krijgen. Ik laat hem na mijn bezoekje expres achter in de oergezellige huiskamer. Hij valt met de neus in de boter want er worden door de parochie paasstukjes aangereikt. Eenmaal thuis zie ik op de 10 minuten geleden geposte foto op de Facebookpagina van het Zorghuis dat Q. er niet lang is gebleven. Potdomme, denk ik. 

Ik bel hem op. ‘Waarom zit je weer op je kamer?’ vraag ik. Pappi: ‘Hoe weet jij dat?’ ‘Ik kan je 24/7 volgen via internet,’ wend ik voor. Dat gaat Q. boven de pet. ‘Ik moest snel weg,’ onderbreekt hij me. ‘Hoezo?’ vraag ik. ‘Nou, we kregen allemaal één vrolijke Paashaasvaas met gele blommen erin. Omdat ik twee hoge ramen in mijn kamer heb, wilde ik er twee voor de symmetrie. Dat hoort zo tegenwoordig. Ik zei tegen E. een zachtaardige Indische man: jij hebt een schuine dakkapel op je kamer, dus je hebt niets aan dat paasstukje. Hij zei niets, maar schoof het paasstukje mijn richting uit. Ik heb ze alle twee opgepakt en me uit de voeten gemaakt voor hij zich bedacht.’ 

Onvoorstelbaar. Ik geloof mijn oren niet. Heeft clevere Q. in al zijn Alzheimerige onschuld het paasstukje van de bescheiden man afgetroggeld. Want van de dichtgetimmerde verklaring geloof ik geen jota. Als ik Q. daar recht voor zijn raap mee confronteer, verbreekt hij de verbinding. 


woensdag 30 maart 2016

RIJBEWIJS


Q. haalde op zijn 55e in één keer zijn rijbewijs. Hij toerde 30 jaar schadevrij rond. Drie jaar geleden - de eerste tekenen van dementie deden hun intrede - brak het moment van de waarheid aan. De zilvergrijze Opel corsa stond voor vrijheid en de luxe om zich op elk moment van de dag te verplaatsen. Nadat pappi in één week tijd was vergeten waar hij naar op weg was, door de politie werd aangehouden omdat hij geen gordel droeg (hij claimde dat hij die pas af had gedaan om het raampje open te draaien voor de diender), en een tafeldame van het rikken de achterkant had gebumpt, ging hij overstag. De auto mocht met pijn in zijn hart weg.

We plaatsen een advertentie: oudere heer zoekt baasje voor zijn sportief blinkende bolide van 17 jaar oud met net geen 10.000 km op de teller. Interieur en lak als nieuw. Binnen 5 minuten stond de telefoon roodgloeiend. Kandidaten werden gescreend op zorgzaamheid. Diezelfde dag werd de koop gesloten met het grietje met het leuke snoetje en de vlotte babbel.

De herinneringsbrief van de RDW viel rauw op zijn dak. Geachte heer Q., Volgens onze gegevens verloopt uw rijbewijs binnenkort. Voor verlenging dient u zich voor 12 juli 2016 te melden bij de afdeling Burgerzaken […] Q. gaf er zijn eigen draai aan: ‘Ze vinden blijkbaar dat ik een prima chauffeur ben, anders stuurden ze mij die persoonlijke brief niet. Misschien koop ik wel weer een karretje.’ 

vrijdag 25 maart 2016

INRICHTING


De inrichting van individuele units was bij de opening van het Zorghuis nog niet 100% gereed. Er bestond de mogelijk om later in te trekken, maar pappi was bewoner van het eerste uur. Dat hield in dat de douchevloer nog een dagje moest uitharden. Geen nood, Q. had die ochtend thuis gedoucht.

Voor de natte cel stond een gemat bidstoeltje op wacht om Q. eraan te herinneren dat hij de tegels niet mocht betreden. Je voelt hem al aankomen. De cabine oefende onweerstaanbare aantrekkingskracht op pappi uit. Resoluut zette hij het houten stoeltje opzij en stapte zonder pardon op de eerste tegel die opkiepte. Bij het terugleggen gulpte cement op de vloer.

De tegelzetter deed zijn werk overnieuw en bakende de douchecel af met een houten X. Na het uitharden kwam de voeger. Die vergat na ‘klusje geklaard’ de barrière te timmeren. Pappi zag zijn kans schoon en sproeide de tegels blinkend nat. Fluitend legt de tegelzetter een nieuw vloertje.

Tijdens overvloedige regenval, een dagen durend stortbad, blijkt dat cementresten de boel hebben verstopt. Als ik pappi bezoek, zit hij in zijn relaxfauteuil. Op mijn vraag waarom hij niet in de recreatiezaal is, verzucht Q.: ‘Ik kan weer niet van huis, nu moet ik op de loodgieter wachten!

NB De kamer is niet afgesloten, bovendien heeft de verzorging een loper. Het is wel verheugend dat Q. zijn ruimte ‘thuis’ noemt.

 

donderdag 24 maart 2016

BLOOTGEVEN

Tablet Palmolive. Spreek uit: pal molieve

Vanwege de badkamerrenovatie mag Q. gebruikmaken van een andere douche. Hij trekt er niet hard aan en wrijft zich - net als eertijds - nonchalant met een stuk Palmolive zeep en een washandje schoon. Als de verzorging wil helpen, verzet hij zich.

Is het omdat hij zich letterlijk bloot moet geven? Mag niemand de naakte waarheid: een porseleinen rimpelhuid en een plooiende bollende buik, zien? Nee, Q. wil alles zelf doen. Prima die zelfredzaamheid, maar hygiëne is belangrijker. De nieuwe broeder mag best doortastend optreden, spreken we gedrieën af als pappi toegeeft dat hij niet wist dat hij vergat te douchen.

Met gezonde tegenzin geeft hij er gehoor aan. De volgende ochtend begeleidt J. hem naar een fonkelnieuwe badkamer. Q. laat zijn weerstand varen. Later die dag smoest hij tegen mij: ‘Me vanmorgen fijn laten wassen, zelfs mijn rug deed-ie. J. heeft zulke zachte handen. Dat mag-tie vaker doen!’ 

dinsdag 22 maart 2016

GRAFITTI


De zes weken die Q. thuis moest overbruggen voordat hij in het Zorghuis terecht kon, waren een regelrechte ramp. Opgeknapt terug van een observatie- en behandelopname van zes weken in het VvGI ging het na een kleine twee weken al mis. Oude rituelen zoals zijn naam met balpen of marker in fluor geel, roze én groen op bierviltjes en binnendeuren kalken, staken de kop weer op. Het komt voort uit angst om zijn identiteit te verliezen. Het schrift biedt hem houvast. Geregeld gebruikt hij ook het ‘pseudoniem’ Pietje Puk. Geen idee waarom de postbode die pas in 1958 in boekvorm verscheen zo’n indruk op hem heeft gemaakt dat hij zich ermee vereenzelvigd. Of de link moet zijn dat pappi een blauwe maandag ook post heeft rondgebracht.

De olijfgroene voordeur mishandelt Q. in een verbolgen vlaag bij het naar binnengaan met zijn rollator. W. schildert het paneel de volgende ochtend keurig in de juiste RAL kleur over. Zolang de verf nat is, moet de deur open blijven. Als W. vertrekt, zet hij er een kartonnen bordje voor: PAS GEVERFD. Deur pas na 6 uur sluiten als verf niet meer plakt. Q. die geen notie van tijd heeft, kan zich niet bedwingen. Hij klopt de het aftandse flanellen laken dat onder de deur de vloerbedekking tegen geklieder beschermde, na een half uurtje uit. De doek blijft aan de deur kleven. Q. houdt zich van de domme en belt W. op: ‘Ik heb weleens strakker schilderwerk gezien.’

Na de aanstaande verhuizing moet het appartement leeg en schoon worden opgeleverd. De deur krijgt een nieuw laagje als Q. naar de dagopvang is - de buurvrouw houdt zolang een oogje in het zeil. Voor de zekerheid verwijder ik (te) lang bewaarde verfspuitbusjes van uiteenlopende klusjes uit de bergruimte. Je weet maar nooit of er een graffitikunstenaar in pappi huist.

maandag 21 maart 2016

EEN BLOKJE OM


Q. is vanwege zijn werk zeker acht keer verhuisd, maar deze rit was ongewoon. Met de urn waarin mijn moeders as, op schoot reden we (voor hem) richting bestemming onbekend. Het ontvangstcomité zorgde voor een warm welkom. Aan de regelmaat, en zijn unit was Q. direct gewend: het was een mooiere kopie van thuis.

Buiten de deur wennen heeft tijd nodig. De woonkamer is zo tot in detail nagebootst dat hij telkens schrikt als de deur naar de gang opent. De hal lijkt op een hotellobby en niet op de corridor die hij gewoon was. Op de regionale zender L1 deed initiatiefneemster Astrid van Mulken (coach Belevingsgerichte Zorg bij Orbis Thuis) uit de doeken hoe ze in een Geleens verzorgingshuis haar plan (een gang omtoveren in een straat) heeft mogen uitvoeren. Bewoners kunnen intern een blokje om gaan, langs de brievenbus lopen, in een bushokje zitten en (door middel van fotostickers) hun eigen vertrouwde voordeur terugvinden.

zondag 20 maart 2016

ZORGHUIS


De behandelend geriater bracht mij in contact met Hulp bij Dementie. R. werd mijn onmisbare coach tijdens de emotionele achtbaan en de worsteling met de oneindig lijkende papiermolen. Zij was ook diegene die de nog te openen kleinschalige woonvorm tipte.

Het particuliere Zorghuis is gevestigd in een voormalige bewaarschool annex kloostertje. Bij de bezichtiging stapten we door de properheid en de achtergebleven meubeltjes uit de jaren vijftig en zestig zo onze jeugd binnen. Het geheel straalde een en al vriendelijkheid en gezelligheid uit. De ontvangst was ouderwets hartelijk: een warm bad. Zonder aarzeling hebben we getekend: pappi is nergens beter af dan hier.


zaterdag 19 maart 2016

CONTACT


Het matzwarte seniorentoestel met eenvoudige (foto)bediening staat werkeloos in de kast. In het Zorghuis waar pappi woont, is geen vaste telefoonaansluiting. Voor het plegen van een belletje is de zusterpost 24/7 paraat. Een bewuste keuze: ouderen kunnen het telefoonnummer niet lezen en tikken verkeerde cijfers in, of ze teisteren hun familie met ontelbare telefoontjes per dag. Iets om hoorndol van te worden. 

Ouderdom komt met gebreken. Tijdig begonnen we met het instrueren van de handy, zoals Q. zijn mobiel noemt. Ondanks de gestage afbrokkeling van zijn geheugen, lukt het hem wonderwel. Zelf pareert hij dat hij volstrekt niet weet hoe dat petieterige snoerloze apparaatje te hanteren. Daarnaast blijft hij zich afvragen hoe dat wonder van technisch vernuft weet met wie hij contact wil.

‘Hallo?’ Het is Q.’s aarzelende stem via de mobiele telefoon. ‘Ja, met mij’, reageer ik. ‘Ik weet niet hoe dat verrekte ding werkt, en ik wil je bellen’, stelt Q. ‘Je hebt me nu aan de lijn, dus je weet hoe het moet’, zeg ik onbewogen. Stilte aan de andere kant. Ik hoor hem prakkiseren. ‘Nee, dat weet ik echt niet. Schrijf je het voor me op als je komt?’


vrijdag 18 maart 2016

PA


Wie is er niet mee weggedragen: ‘Waarheen leidt de weg’ van Mieke Telkamp. Bij de titel stond ik nooit zo stil. Totdat mijn alleenwonende pappi de mist inging. Ouders hebben zorgplicht, kinderen niet. Geen enkele ouder heeft het recht om zijn kind te dwingen in de rol van mantelzorger. Als vanzelfsprekend wierp ik me geleidelijk op als Persoonlijk Assistent van de dementerende Q. Iets wat ik in mijn jeugd voor onmogelijk hield (als puber voel je je onaantastbaar, ouderdom verpest dat gevoel), groeide ongevraagd met mijn eigen klimmende jaren: ik ontwikkelde een zwak voor oudjes.

Terug naar mijn vrijwillig PA-schap. Pappi’s falende geheugen leunt op mij. Met gemak legt hij alles op mijn schouders neer. Ik ben zijn vertrouwenspersoon, gezelligheidsdier, administrateur, toezichthouder, verpleegster, psycholoog, regelaar enzovoorts. Een eenzame vader, afhankelijk van zijn kind.

Ik help Q. graag en hij waardeert dat. We kunnen het goed samen vinden. En als je een klik met iemand hebt, gaat alles vanzelf. Wat me bijna nekte was het van-het-kastje-naar-de-muur gestuurd worden bij de (gemeentelijke) instanties. Het is intriest dat de overheid het ouderen zo moeilijk maakt. Bejaardenhuizen zijn weggesaneerd, op noodzakelijke hulp is bezuinigd, informatie is versnipperd en obsoleet. 

‘Waarheen leidt de weg?’ Je moet er niet te lang bij stilstaan, maar: wie wordt de reddende engel van mijn (kinderloze) generatie als die hulpbehoevend bejaard wordt?

NB Q. woont inmiddels op een prachtplek: een kleinschalig particulier wooninitiatief. Daarover een volgende keer.

donderdag 17 maart 2016

TOLK


Q. heeft een koutje opgelopen - influenza sluiten we uit vanwege de griepprik. Zijn borstkast schuurt en piept. De gemeten bloeddruk is prima. De nachtzuster smeert voor het slapengaan Dampo op de luchtpijp, de keel en op de rug ter hoogte van zijn longen. Het kleverige smeersel wordt ouderwets afgedekt met het ‘familie-erfstuk’: een flanellen doek met margrietendessin die tijdens luchtweginfecties verademing brengt. Bij het welterusten geef ik hem een luchtkusje: je weet maar nooit.

De ochtend erop is zielenpietje ietwat opgeknapt. Het ontbijt wordt uitgeserveerd op zijn kamer; verwennen moet als je ziek bent. Geen koorts en toch communiceert hij matig. Niemand wordt wijs uit zijn warrig gebrabbel. Als een professionele tolk vertaal ik perfect de onzin die hij uitkraamt. W.’s mond hangt open: ‘Zeg je nou zomaar wat of hoor je echt wat hij frazelt?’ Net als de moeder van een baby of een hondenvrouwtje dat kan lezen en schrijven met haar hond, versta ik elk woord. Q. bevestigt het met knijpende ogen.

woensdag 16 maart 2016

GAZELLE


Pappi is de realiteit uit het oog verloren. Pas twee maanden woont hij op zijn nieuwe adres. De omgeving is vreemd voor hem. Stukje bij beetje verkent hij (onder begeleiding) met stok of achter de rollator de wijk. Hij is in de veronderstelling dat ik om de hoek woon. Ik laat hem in die waan. Het stelt hem gerust dat zijn dochter dichtbij is.

‘Van de week fiets ik naar je toe’, belooft hij. Pochend: ‘Dat stukje naar jou toe is peanuts vergeleken bij de 30 km die ik per dag kar.’ Q. lijdt lichtelijk aan zelfoverschatting. Zijn stalen ros rust reeds anderhalf jaar bij mij in de stalling. Het is heel tegenstrijdig, want naast dit soort opmerkingen blijft hij alsmaar vragen waar zijn Gazelle is.

Vanwege file in een defecte bovenleiding is het onverantwoord om pappi te laten fietsen. Ik houd mijn hart vast: desoriëntatie, zich staande houden op de pedalen, manoeuvreren in druk verkeer, traag reactievermogen, en een stram lijf. In zijn gedachten kan Q. het allemaal, ik heb zo mijn bedenkingen. De beslissing om de fiets te verkopen, schuif ik voor me uit. Weer een stukje zelfstandigheid dat hem wordt afgenomen.

Met dank aan een gure noordwestenwind, de ondermaatse temperaturen, en nattigheid - ‘Was het maar vast lente’, reikhalst Q - raakt de onvermijdelijke teleurstellende mededeling op de achtergrond. Als hij zoveel moet afschrijven, mag hij dan ook vergeten dat mijn moeder en hij na zijn pensionering kilometervreters waren?

dinsdag 15 maart 2016

KRACHT


Van de dingen die voorbij gaan. Wie deed/doet het niet: ongesteven lakens getweeën strak trekken. Simultaan naast haar staand met een mini strijkplank en -boutje, streek ik als kind samen met mijn moesje de lakens glad. Bij mij en mijn vijf jaar oudere broer mondde het steevast uit in een wild robbertje: elkaar omvertrekken. Beter gezegd: big brother gaf onverwacht een flinke ruk aan het linnen en ik tuimelde om.

Pappi werd weduwnaar en hij deelde voortaan de lakens uit. Strak trekken werd geleidelijk een krachtmeting. Jarenlang vouwden we zo (bad)handdoeken, dekbedden en overtrekken tot kaarsrechte torens. Q. boette aan fysieke kracht in en ik kocht strijkvrij beddengoed. Niet veel later vertrok pappi naar het Zorghuis waar de schoonmaakster de vuile was collecteert. Een traditie bruusk verbroken. Ik had hem zo graag nog een keer Gerard Jolings ‘Ik heb er de kracht niet meer voor’ horen schmieren.

maandag 14 maart 2016

KINDS


Het zit tot in het diepst van zijn wezen verankerd: respect tonen voor mens en dier. Eerst een flinke stap terug in de tijd naar een schandelijke gebeurtenis die ik me persoonlijk niet meer heugen kan - mijn moeder haalde het gedurende de opvoeding meermaals aan om enige vorm van onbeschaafdheid acuut de kop in te drukken. Tijdens een van onze ontelbare treinritjes in een Nederland dat gedomineerd werd door kleurloze koppen, moet ik als kleuter een zwarte neger met een brede boeg die in ‘onze’ coupé zat, eerst ongelooflijk hebben zitten aanstaren en daarna oprecht geïnteresseerd hebben gevraagd: ‘Meneer, waarom heeft u zo’n gigantische gok?’ De tweemeterman kon er mee lachen en deed ‘boe’. Mijn moeder zweette peentjes en stamelde excuses van plaatsvervangende schaamte. Mij gaf ze de volle laag. Onbegrijpelijk: ik was toch beleefd geweest door ‘meneer’ te zeggen.

Terug naar mijn buikdienende vader van 90 kg+. Kinds gaan de remmen los. Pappi en ik kletsen over koetjes en kalfjes in de rumoerige wachtkamer van de cardioloog. De dovige Q. articuleert hoorbaar. Een zwaarlijvige medewerkster met een stapel dossiers in haar armen wordt in het voorbij ploegen voorzien van ongezouten commentaar: ‘Die is vet!’ Impulsief trek ik hem aan zijn mouw: ‘Hé, gedraag je!’ Een gezette scholiere in een volgens Q. potsierlijke garderobe wordt hoofdschuddend met de wandelstok nagewezen: ‘Meid, denk aan je lijn.’ Ik trek een ontkennend ik-ken-die-rare-snuiter-ook-niet-gezicht en schuif iets bij Q. vandaan. Weer alleen: ‘Zullen we afspreken dat je beledigende opmerkingen voor je houdt? Waar is je fatsoen gebleven?’ De anders zo welgemanierde Q. is zich van geen kwaad bewust. Een vriendelijke in wit gestoken doktersassistente komt ons op knalroze Crocs™ halen. Pretoogjes, maar pappi perst zijn lappen wild vlees demonstratief op elkaar. 

zaterdag 12 maart 2016

PUNT UIT

kaartontwerp: DTM INC via boomerang

Toon Hermans ging nooit naar begrafenissen. Hij zei volgens Henk van der Meyden: ‘Het is toch alleen maar een oude jas die je uitdoet.’ Pappi woont geen uitvaarten meer bij - condoleances verstuur ik uit beider naam. Mentaal en fysiek te belastend, (soms) te ingewikkeld om te houden wie er in de kist ligt, of te confronterend: het is toch een aftelsom. Wie als laatste overblijft, heeft gewonnen. Maar of je blij moet zijn met de eenzaamheid die onherroepelijk volgt op veel vaarwels van dierbaren die in rook zijn opgegaan, is maar de vraag. Q. wordt er neerslachtig van. Het overlijden van iemand komt pas ter sprake als hij er zelf over begint. ‘Leeft x überhaupt nog?’ vraagt Q. als die persoon door zijn gedachten spookt. Waarop ik pappi inlicht: ‘Nuh, die is allang gestorven. ‘Ja, dat dacht ik ook.’ Punt uit. Q. gaat gewoon over tot de orde van de dag.

vrijdag 11 maart 2016

KORPS MARINIERS


Q. draagt zijn baret nog elke dag. Niet uit trots (eens marinier, altijd marinier) maar uit respect voor de kompels die het leven hebben gelaten tijdens het gevecht voor vrijheid. Mede dankzij zijn tijd bij het Korps Mariniers is pappi zijn hele leven zorgzaam en zelfredzaam geweest. Mij is al jong geleerd om niets aan een ander te vragen, tenzij a) het echt niet anders kan en b) ik niet eerst zelf geprobeerd heb om het op te lossen.

Nu de hersens stokken, is het tijd om zich te laten verwennen, heb ik hem opgedragen. Dat is moeilijk voor iemand die te pas en te onpas de gevleugelde uitdrukking ‘Ik ben een marinier’ bezigt. Zo ligt het ingewikkeld hoe Q. bij groepsactiviteiten te betrekken. Fruitsalade maken of soepgroente snijden, daar haalt hij zijn neus voor op. Logisch: qulinaire Q. kan zijn eigen boontjes doppen!

woensdag 9 maart 2016

JEUGDSENTIMENT


In mijn kindertijd pafte pappi pakjes Golden American - roken was toen helemaal niet slecht. Ben je mal! Er kwam een noviteit op de markt: een sigarettenapparaat. Samen met mijn moeder rolde ik ijverig lege hulzen en zware tabak van het merk Privilege tot filtersigaretten op een geavanceerd grijs/wit machinetje. Ik kan me die gezamenlijke gezellige avonden zo voor de geest halen.

Vijfenveertig jaar later ben je terecht een paria als je nog smookt: roken schaadt de gezondheid. Behalve tussen verstokte rokers ben je nergens meer welkom. Kinderen willen hun rookverslaafde ouders juist van die smerige gewoonte af brengen! Q. stopte acuut met roken nadat zijn hart op zijn vijftigste een rode kaart uitdeelde. Hij raakte nooit meer een sigaret aan. Knap!

Nu hij seniele trekjes vertoont, is vroeger weer actueel. Net zo abrupt als hij gestopt is, prijken op het boodschappenlijstje tussen kokosmakronen en een rolletje Rang, cigaretten met een vraagteken erachter. ‘Ik had zelf naar de winkel willen gaan,’ zegt Q. die boodschappen doen allang aan mij overlaat, ‘maar: welk merk gebruik ik eigenlijk?’ Ik dacht eerst dat het een geintje was, maar hij bedoelde het serieus. ‘Je rookt al 38 jaar niet meer’, praat ik hem bij. ‘Hoe kan ik dan in hemelsnaam vreselijk trek hebben in een sigaret!’ slaat pappi zijn armen vertwijfeld omhoog in de lucht. ‘Mag ik één rokertje?’ bedelt hij poeslief. Mijn ‘nee’ is onverbiddelijk.



OUDSTE RECHT

Forking

Het is een (kinderachtige) ongeschreven natuurwet: een nieuweling heeft minder rechten dan de buurman die er al woont. Q. is bewoner van het eerste uur. Om zich speciaal te laten voelen, hebben we hem min of meer wijsgemaakt dat hij op de chique vleugel woont. Het moet gezegd: van de eenpersoonsvertrekken heeft hij daadwerkelijk het mooiste en meest luxueuze stekje. Vormt onze uitspraak de aanleiding of komt het omdat hij zich er thuisvoelt dat hij meent dat hij een streepje vóór heeft?

In het Zorghuis gelden duidelijke huisregels. Q. heeft daar ongevraagd enkele voorwaarden aan toegevoegd. Zo mogen tafeldames en –heren geen hoofddeksel tijdens het vorkje prikken dragen, da’s niet beleefd. Een schuchtere eerstedagger die het naliet zijn petje af te doen, moffelde met een haastig ‘sorry’ het vermaledijde petje onder tafel nadat Q. hem erop wees. Die zit!

Wie zich vóór en tijdens de maaltijden niet aan de voorgeschreven hygiëne houdt, wordt door hem op de vingers getikt. Q. liet aan de buur die het waagde om een snee brood terug te leggen, ondubbelzinnig merken dat hij daar niet van gediend is. Het mikpunt reageerde door de uitdager met de vork in diens hand te prikken. ‘Au’ deed pappi. Quitte.

Een mokkende man die volgens pappi onterecht over de grandioze verzorging godvert, wordt door hem aangeklaagd: ‘Zwijg of gedraag je!’  De klager laat zijn tanden zien (niet letterlijk!) en geeft vol tegengas. Q. taait af naar zijn kamer. Verstandig, voor je het weet zien we de ‘drilsergeant’ bij de Rijdende Rechter.

dinsdag 8 maart 2016

SCHEIDING


In mijn kinderjaren was pappi mijn Grote Beer: mijn charismatische beschermheer voor wie ik, net als (niet)vriendinnetjes, tegelijk ontiegelijk ontzag had. De eerste openlijke verklaring dat ik dol op hem ben, vond plaats na een scheidingsdrama bij een klasgenootje van mijn broer. Je kunt het je nu niet meer voor te stellen, maar tot halverwege de vorige eeuw bleven echtelieden koste wat kost bij elkaar. Mijn broer was danig onder de indruk van de eerste vechtscheiding (dit woord bestond destijds geeneens), die hij ook nog eens van dichtbij meemaakte: het idee alleen al dat je veilige thuis er niet meer zou zijn. 

Samen het songfestival met de poppen en beren nazingend in de speelkamer op een druilerige zondagochtend terwijl onze ouders in de kamer ernaast zogenaamd uitsliepen, fluisterde mams oogappel: ‘Als pap en mam gaan scheiden, blijf ik bij mam. Omdat ik de boude uitspraak zo zielig voor mijn (onwetende) vader vond, sprak ik de nog vaak aangehaalde legendarische woorden: ‘Dan zijn pappi en ik tweelinkse (een tweeling).’ We hebben gelukkig nooit hoeven kiezen. We groeiden op in een creatief en knus gezin en onze ouders bleven bij elkaar tot de dood hen scheidde. 

maandag 7 maart 2016

OUDERAVOND


De rollen zijn omgedraaid. Op de middelbare school zaten mijn ouders verplicht op audiëntie bij de klassenleraar of decaan, nu zit ik ontspannen op de ouderavond voor pappi met de hartelijke managers zorg en administratie. Ervaringen en informatie uitwisselen, courante zaken aankaarten en vooral mijn lof uiten over de fantastische verzorging. Op Q.’s rapport een ruime voldoende voor humor (hij is net Toon Hermans), mondigheid (hij geeft duidelijk aan wat hij wel en niet wenst) en etiquette (hij is zo beleefd). IJver en vlijt (meedoen aan de gezamenlijke activiteiten) stijgen met stip.

Q. is op verzoek niet geïnformeerd over mijn komst. De reden: ik wil graag met eigen ogen zien hoe hij zijn avonden slijt. Pappi verzekert mij dat hij die grotendeels tv kijkend in zijn kamer doorbrengt en zich vooral NIET met de bewoners mengt. Van de verzorging hoor ik tegenovergestelde verhalen. Om 20.00 uur vind ik een dijenkletsende Q. in de roezemoezige recreatiezaal met vier geanimeerd keuvelende heren en een rolstoelster. Voor hen op tafel sprankelt een wit wijntje.


zondag 6 maart 2016

MUZIEK



Pasen ligt in het verschiet, uit de boxen klinkt kerstmuziek van Andre Rieu. Niemand die het opvalt, behalve mij. De dames deinen mee. De heren houden zich rustig. Als de shuffle alle liedjes heeft bedeeld, wissel ik de CD voor gematigde aanstekelijke dixieland. De dames kijken op, de mannen trommelen ritmisch met de vingers op tafel. 

Muziek zorgt automatisch voor hersengymnastiek én is een uitstekend middel om contact te maken met dementerenden, lees ik in een artikel over Marlous Lazal die de radiodocumentaire Onvergetelijk maakte. In deze docu komt ook het project Music & Memory aan de orde.

[…] Je moet uitzoeken welke muziek persoonlijk de meeste indruk op iemand heeft gemaakt. Dat is sowieso muziek die je voor het eerst hoorde tussen je vijftiende en je vijfentwintigste. Die melodieën liggen diep in je haperende brein opgeslagen. Als dementerenden die liedjes weer horen, herkennen en mee neuriën, willen ze daarna nog weleens op de praatstoel belanden [ …] Uit tekst van Colin van Heezik VPROgids

zaterdag 5 maart 2016

EINDSTATION


Net als hij het leven weer heeft omarmt, dringt het besef door dat de Sint Annastraat zijn laatste adres is. ‘Hier sterf ik dus’, peinst pappi hardop. Mijn gedachten erbij: je mag hopen dat je hier vredig inslaapt. ‘Het gaat nog heel erg lang duren voordat jij het loodje legt, hoor’, beur ik de 88-jarige op voordat de naargeestige gedachte postvat. ‘Ik kan je niet missen en bovendien heeft het zoveel moeite gekost om hier te komen, dat je nog minimaal vijf jaar moet genieten als tegenhanger voor alle sores. Daarnaast moet je het in het leven altijd beter doen dan je ouders. Oma is 92 geworden, dus die moet je sowieso nog voorbijstreven.’ Op Q.’s gezicht breekt de zon door, het akelige ogenblik is voorbij.

Naderhand moest ik denken aan een tekstje van Wim Karreman in het NRC: een poging om de 100 te halen
Mijn oude schoonvader hoopt in oktober 100 te worden. Nu zijn op zijn gang in het bejaardentehuis de afgelopen weken al drie mensen overleden. Niet ongebruikelijk natuurlijk in een bejaardentehuis, maar zo komt de dood wel erg dichtbij. En mijn schoonvader wil die 100ste verjaardag met burgemeester erbij niet missen. Hij ziet niet erg best meer, maar luistert graag naar luisterboeken. En schrijven, met hanepoten, kan hij ook nog goed. Zo had hij op zijn deur, in de gang waar Magere Hein zo had huisgehouden, een briefje geplakt met een mededeling aan diens adres: ik ben er niet.

vrijdag 4 maart 2016

BRANDOEFENING


De frêle nieuwkomster waant zich slechts op bezoek. ‘Ik ben tijdelijk hier in Florida bij mijn dochter. Ik vlieg binnenkort weer naar Nederland’, bazelt ze overtuigend. Ik tuur door het vensterglas naar een Hollandse lucht waar hagel en ijzel de strijd aanbinden met natte sneeuwvlokjes: wie raakt het eerst de grond. Het winterweer maakt op haar geen indruk. Wel gestommel op de overloop later dat zich laat aanhoren als inbrekers. Ze aarzelt geen moment en slaat stoer met een vuist het ruitje van de brandmelder in. Wiehoe wiehoe.

De bhv'ers trekken een sprint naar het alarmtableau. De inwoners verroeren geen vin, wel houden ze hun handen tegen de oren gedrukt - behalve mijn hardhorige pappi. Wat een kabaal. ‘Wat is er aan de hand, ik sliep net’, knort de nieuweling, een recente weduwnaar. ‘Er is iemand ontsnapt’, flap ik eruit. In de zaal ontspint zich een spannend gezelschapsspel, een detective á la Agatha Christie. Want: wie is de grote afwezige? Het geluid verstomt.

Mieamiemevrouw in zuurstokroze joggingpak (maatje xs) betreedt de volle zaal met de handen voor haar gezicht geslagen: ‘Ik schaam me zo. Ik ben de boosdoener en weet zelf niet eens meer waarom.’ Ze schuift met broze schouders aan bij de rolstoelster. Terwijl de zuster een knalblauwe pleister op haar bloedende pols plakt, legt zij liefdevol haar hand op haar fragiele onderarm: ‘U hoeft zich nergens voor te schamen. U bent juist een heldin.’ Betraande ogen kijken hoopvol op. ‘Ja, een heldin! Dankzij u was er een brandoefening en weten we zeker dat het alarm werkt.’

donderdag 3 maart 2016

ONTSNAPT



Soezerig houden we twee zitplaatsen bezet in de zonnige vestibule. De biezen zitting van het brocante vierkantje zwicht bijna onder het (over)gewicht. Met dank aan het goede leven is pappi een beetje buikig. En Q. weigert te wandelen. Ik maan hem kordaat om effe te luchten. Het is goed voor zijn conditie en gewicht. Hij mag mijn tijdelijke hondje zijn, hij kan met zijn verzorger mee of met de groep.

Voor een voormalig autarkisch persoon is het moeilijk om zich over te geven: ‘Voor mij hoeven schoolreisjes niet, ik kan best in mijn eentje op stap’. Ik grap: ‘Net als een kat moet je eerst aan je nieuwe omgeving wennen, voordat het is toegestaan om op eigen houtje een straatje om te lopen. Q.: ‘Ik zit toch niet in een gesloten inrichting! En mocht ik de weg kwijtraken, ben ik niet te verlegen om iemand aan te klampen.’

Mijn ‘bevel’ heeft geholpen. Obstinaat stiefelt hij zogenaamd achter de groep aan. Stiekem piept hij ertussenuit. Ontsnapt aan het toezicht. De verzorging is in alle staten. Ik stel ze op hun gemak: ‘Pappi loopt niet in zeven sloten tegelijk.’ Er wordt een zoekvoettocht georganiseerd, ik pak de fiets. Na krap 5 minuten is hij terecht. Gevonden tussen de laurier achter de kerk. Ik verdenk hem er zwaar van dat hij zich daar expres verschool.

woensdag 2 maart 2016

DIPDAG


Iedereen heeft weleens zijn dag niet. Zo had Pappi opstartproblemen in de vroege uurtjes. Het onderbuikgevoel zwakte pas af na inname van een Aspro (een placebo ‘Paracetamol’ die voor hem de rustgevende werking van Oxazepam heeft). Na ons rituele ochtendtelefoontje bleef ik de rest van de dag met een rotgevoel zitten, terwijl Quirinus rond noen weer boven Jan was.

Tegenwoordig lost de tijdelijke somberte op doordat zijn geheugen hiaten vertoont. Die beroerde ochtend herinnert hij zich later op de dag simpelweg niet meer. Daarom heb ik me aangewend om de vroege middag aan te wenden voor een opgewekt praatje of bezoekje. Overheerst de neerslachtigheid dan nog, dan maken we er een dipdag van. We balen allemaal weleens. Je moet er alleen niet in blijven hangen. Door het gevoel te benoemen en af te kaderen, geef je jezelf of iemand anders de kans om kortdurend zwelgen toe te staan, maar je er daarna over heen te zetten.

dinsdag 1 maart 2016

ORDE EN TUCHT


Ik ben koud 15 minuten binnen, of pappi vraagt hoe laat ik weer weg ga. ‘Leuk hoor, ik ben net hier. Vind je het niet gezellig dat ik er ben?’ gekscheer ik. ‘Hartstikke leuk’, klinkt het gemeend. Om de haverklap blikt hij op zijn horloge. Onaangemeld (normaal bel ik of kondig ik bezoek aan op de weekkalender) doorkruis ik zijn schema. ‘Had je andere plannen?’ informeer ik. ‘Nou, ik moet nog een dutje doen voor het eten.’ Er volgt wat gesoebat over hoe lang zo’n dutje duurt en dat hij pas over ruim twee uur hoeft aan te schuiven voor het diner. Bovendien luisteren de tijden niet zo nauw. Er hangt echt geen bord met orde en tucht tegen de gevel. Integendeel. De gedisciplineerde Q. toont zich minder flexibel: dat mag. Als hij blijft doorzagen dat hij niet te laat wil komen, kus ik hem ter afscheid. Spontane ingevingen laat ik voortaan achterwege.