zondag 7 januari 2018

HUIZE VOORZORG


Ik heb niets om op te schrijven, rommelt pappi. 'Kijk eens goed in de brievenstandaard', wijs ik. Q. staat met een A5 en een A6 notitieblokje en een gelinieerd schrift in de handen en gooit het op de salontafel. 'Hier heb ik niets aan. Ik bedoel viltjes voor kleine dingetjes die ik niet moet vergeten.' Zolang als ik het me kan herinneren, gebruikt Q. bierviltjes voor korte boodschappen. Bij caf├ębezoek druk ik er altijd een paar achterover, maar hoog ligt de frequentie niet en pappi is een veelschrijver, vandaar de schaarste. Overbuurman M. maakt pappi reuzeblij met een fikse voorraad waarvan ik de helft opzij zet als reserve.

We gaan samen op stap. Q. zoekt zijn spullen bij elkaar: hoed, sjaal, jas, portemonnee, sleutels. 'Kunnen we?' vraag ik met de klink in de deur en een opvlieger op komst. Q. betast alle zakken in zijn jas en broek: 'Nee, ik heb geen adres bij me.' Hij pakt een viltje, pent met krachtige blokletters zijn naam, Huize Voorzorg kamer 3, en vraagt me de straatnaam en het huisnummer. Ik monkel. Q. trekt zijn wenkbrauwen op. Ik leg hem uit dat Huize Voorzorg een spitsvondige parodie is op de werkelijke naam: het Zorghuis. Q. gniffelt. Wat ik niet met hem deel is dat mijn moeder in de maanden voor haar dood alle zakken in haar kleding voorzag van het adresetiket van de Troskompas, terwijl ze never nooit zonder pap de deur uitging. Pas na haar onverwachte overlijden, vond ik bij het inpakken van haar garderobe de papiertjes die ze uit voorzorg in elke zak, hoe klein ook, had gestoken. Best wel een schok om achteraf te beseffen dat ze voorzorgsmaatregelen had genomen om niet verloren te raken. Zou zij (wel) voorvoeld hebben dat ze tegen de dood aanleunde?